Spring naar inhoud

Lees een hoofdstuk uit het THUISboek Uitgeklaard

Het achtste Thuisboek 'Uitgeklaard' vertelt het verhaal van Emma, Stan en Judith. Ontdek hier een fragment uit het 12de hoofdstuk.

Hoofdstuk 12

‘Voorzichtig!’ roept Judith. ‘Je moet niet gooien met die valiezen!’

Stan kijkt zijn moeder fronsend aan. ‘Echt? Een valies meer of minder zal het verschil niet maken hoor. Heb jij misschien heel je kleerkast ingepakt?’

Judith glimlacht overdreven breed. ‘Misschien.’

‘Dat dacht ik al!’ Stan zwiert Judiths laatste stuk bagage in de koffer en duwt er dan zijn rugzak bij. Het enige stuk dat hij meeneemt naar Bologna.

‘Goed,’ zegt Judith dan, en ze loopt eens zenuwachtig rond de auto. Ze is opgelaten omdat het nu echt zo ver is. Ze vertrekken naar Bologna, met de auto. Het wordt een hele trip en tijdens die reis zal ze helemaal op Stan aangewezen zijn. En hij op haar. Dat is heel wat, op dit moment in hun leven, beseft Judith. Ze knikt naar Stan.

‘Hebben we alles bij?’

‘Echt alles, ja,’ zegt hij. Judith moet lachen om zijn reactie. ‘En avant!’ zegt ze en ze kruipt achter het stuur.

‘Andiamo bedoel je,’ zegt Stan wanneer hij naast haar plaatsneemt.

‘Oh excuseer,’ reageert Judith, verrast dat Stan de juiste Italiaanse woorden kent.

‘Scusi bedoel je,’ zegt hij betweterig, waarop hij enthousiast in zijn handen klapt. Judith schudt lachend haar hoofd terwijl ze de straat uitrijdt. De trip is nu echt begonnen. En de sfeer zit goed, vindt ze. Ze had nochtans schrik om te vertrekken. Stan had evengoed niet kunnen opdagen, weet ze. Want hij wou wel meegaan op trip, maar hij kon zich ook bedenken in de tussentijd. Iets wat voor hem de ene dag een goed idee lijkt, is dat de andere dag misschien al niet meer. Bovendien is deze trip niet evident voor hem, vermoedt ze. Er is niet alleen de autorit die wel twaalf uur duurt, maar er is ook het verblijf daar. Een nieuwe omgeving, nieuwe mensen, nieuwe situaties… Ze hoopt dat hij het allemaal kan plaatsen, dat hij zichzelf niet verliest. Of zijn zelfcontrole… Hij zou het aankunnen, dat heeft hij zelf aangegeven. Maar hoe goed kent hij zichzelf nog? Hoe goed kent zij haar zoon nog?

‘Ik ben benieuwd hoe het met Emma’s Italiaans gesteld is,’ zegt Judith. ‘Ik weet dat ze ermee bezig is, daar. En ze heeft wel een goed taalgevoel, dus op zich zou het haar wel moeten lukken. Als ze genoeg kan oefenen. Dat zal ze wel doen, ze neemt dat natuurlijk allemaal wel serieus, zo is ze. En…’ Ze stopt met praten. Vanuit haar ooghoek ziet ze hoe Stan uit het raampje kijkt en niet reageert of inpikt op wat ze zegt. Ze slikt. Heeft ze Emma te veel opgehemeld? Moet ze hem ook complimenten geven?

‘Sorry,’ zegt ze daarom. ‘Ik zal het niet twaalf uur lang over Emma hebben.’ Ze kijkt Stan met een onschuldige glimlach aan en hij geeft haar een goedkeurend knikje. Het is nu aan hem om op een gepaste manier te reageren, weet hij ondertussen. Want hij heeft de keuze. Hij kan Judiths gejubel over zijn zus zien als concurrentie, als een afwijzing tegenover hem zelfs. Maar zo hoeft hij het niet te zien. Dat heeft hij in therapie geleerd en dat probeert hij nu toe te passen: de juiste keuze maken. Hij moet er wel bewust mee bezig zijn, want hij wil niet wegglijden. Integendeel. Hij is net heel alert voor wat hij voelt en denkt, zodat hij op tijd kan ingrijpen als het dreigt mis te lopen. Zo heeft hij het op therapie besproken en zo zal hij het doen. Hij beseft zo dat zijn moeder even onzeker is als hij, en dat ze dat op haar manier probeert te ventileren.

‘Niet erg,’ zegt hij daarom. En hij verandert meteen van onderwerp, zodat ze er beiden vanaf zijn.

‘Hebben we wat te drinken?’

‘Shit!’ roept Judith. ‘Ik wist dat ik iets vergeten was! Ik stop meteen aan het volgende tankstation dat we tegenkomen.’

Wat later staat Stan aan de kassa van het winkeltje in het tankstation. Hij zet een grote fles water en enkele blikjes frisdrank op de toog en is klaar om te betalen, tot de man achter hem hem aanspreekt.

‘Excuseer, jongeman. Ik stond eerst aan de kassa,’ zegt hij, terwijl hij Stan verwijtend aankijkt.

‘Ik…’ Stan stamelt. De kassabediende kijkt gewoon toe. Stan had dat helemaal niet door. Hij had niet de bedoeling iemand voorbij te steken.

‘Typisch de jeugd van tegenwoordig,’ bijt de man hem toe. ‘Alleen maar aan zichzelf denken. Vooruit, betaal nu maar gewoon. Dat je onder mijn ogen uit bent!’

De kassabediende neemt Stans geld aan, maar Stan is helemaal van slag. Hij heeft zich niet eens kunnen excuseren bij die man, die kans kreeg hij niet. Hij stapt terug naar de auto waar Judith op hem staat te wachten, maar zijn gemoed is plots veranderd. De zorgeloosheid waarmee hij wou en kon vertrekken, heeft net plaatsgemaakt voor een zwaarte. De zwaarte waar hij nu al zo lang tegen vecht. Plots schieten er allerlei twijfels door zijn hoofd. Is hij er echt wel klaar voor om dit te doen? Kan hij echt naar buiten, naar nieuwe plekken? En kan hij trouw blijven aan zichzelf en aan de tools die hij ondertussen heeft? Of verliest hij zichzelf als het zo doorgaat? Het feit dat hij niet eens wist dat hij iemand voorstak en het feit dat die man daar zo fel op reageerde betekent maar één ding: Stan kan niet normaal functioneren. Het is te vroeg. En misschien zal hij het zelfs nooit kunnen. Hij wil naar huis. Weg van hier. Maar hij weet dat het daar nu te laat voor is.

‘Gelukt?’ vraagt Judith nietsvermoedend wanneer hij terug de auto instapt. Stan knikt, gooit de drankjes op de achterbank, trekt een blikje frisdrank open en stopt de oortjes van zijn smartphone in zijn oren. Hij wil zich even terugtrekken, voor zover dat kan.

‘Oei? Is er iets?’ vraagt Judith, die nu ook zijn bedrukt gezicht ziet. Maar Stan reageert fel. Iets te fel.

‘Nee mama, rij nu gewoon!’ Zijn frustratie neemt het van hem over, hij bijt haar toe.

Judith begrijpt niet waarom hij zich plots zo afstandelijk gedraagt. Ze rijdt de autostrade weer op en vraagt zich af wat ze verkeerd heeft gedaan. Heeft ze iets gezegd wat hem heeft getriggerd? Moet ze beter letten op wat ze zegt? Wat ze doet? Zwijgend rijden ze verder. Elk met hun eigen twijfels.

Stan weet dat hij fel reageert. Overdreven, misschien zelfs. Hij voelt en merkt dat hij Judith kwetst, waardoor zij duidelijk niet meer weet hoe ze zich moet gedragen of wat ze moet doen. Verdomme, zegt hij in zichzelf. Hij verwijt het zichzelf nu, die reactie… Hij had rustiger moeten reageren, uitleggen wat hem zo boos gemaakt heeft. Zoals ze het hem geleerd hebben in de psychiatrie. Hij moet zijn temperament onder controle krijgen, beseft hij, of het wordt nog een lange reis. Zijn gedachten tollen. Hij wil dit niet verpesten. Hij laat de zijkant van zijn hoofd tegen het raampje vallen en sluit zijn ogen, maar slapen lukt niet.

De uren verstrijken en Judith krijgt pijn aan haar schouders van constant te rijden. Ze wil even pauzeren. En ze wil afleiding. Ze zoekt naar een radiozender die niet kraakt, omdat ze ondertussen al Frankrijk gepasseerd zijn en in Zwitserland aan het rijden zijn. Terwijl zij op de knopjes van de autoradio duwt, hoort ze dat Stan een berichtje ontvangt.

‘Godverdomme!’ Hij gooit zijn gsm kwaad uit zijn handen en trekt de oortjes los. Judith schrikt.

‘Wat is er?’ vraagt ze. Heeft hij slecht nieuws gekregen?

‘Waar zijn we?’ vraagt hij. Alsof hij pas wakker is, kijkt hij rond. Het enige wat hij ziet is de autostrade en niet veranderend landschap.

‘In Zwitserland,’ zegt Judith rustig. ‘Het gaat vlot, maar ik zou dadelijk wel even willen stoppen. Die uren zijn in mijn benen gekropen.’ Maar Stan hoort het niet, of hij reageert er alleszins niet op.

‘Mijn provider stuurt met net een bericht dat mijn gsm-abonnement is geblokkeerd. Omdat ik te veel data verbruikt heb. Kon je mij dat niet zeggen?’

‘Oei Stan, ik…’

‘In Zwitserland moet je extra betalen. Als niemand mij dat zegt weet ik dat niet, hè!’

‘Heb je niet eerst een waarschuwing gekregen dan?’

‘Jawel!’ snauwt Stan. ‘Twee zelfs. Maar ik kan toch niet rieken hoeveel data ik nog verbruik? En dan sluiten ze dat ineens af?’

‘Kunnen we dan niet gewoon bijbetalen?’ probeert Judith nog. Maar Stan wil er niets van weten.

‘Nee!’ zegt hij bitsig. Hij kruist zijn armen voor zijn lichaam en draait zich naar het raampje. Opnieuw voelt hij die frustratie. Het kiezen tussen de controle bewaren of verliezen. En de spijt die bij die laatste optie hoort. Judith slikt. Hier was ze dus bang voor. En toch is ze hier niet op voorzien. Ze besluit niet meer te reageren op hem, dat helpt misschien nog het meest. Wanneer ze niet veel later stopt aan een tankstation om even de benen te strekken, blijft Stan in de auto zitten. Het liefst van al wil hij verdwijnen. Opnieuw beginnen. Zich verontschuldigen bij Judith, dat zou ook al heel wat zijn, beseft hij. Maar op dit moment lukt hem dat gewoon niet. Daarvoor is hij te teleurgesteld in zichzelf. De rest van de rit kijkt hij ofwel zwijgend voor zich uit, of valt hij in slaap. En pas wanneer hij een langer dutje doet, is Judith wat meer op haar gemak. Dan kan er alvast geen discussie ontstaan. Ze zapt nog eens tussen de verschillende radiozenders en komt uit bij een liedje dat ze kent.

‘Mamma, solo per te la mia canzone vola…’ Meteen verschijnt er een glimlach op haar gezicht. Ze kent dat liedje! Ze herkent het refrein, maar dan wel in het Nederlands. Voorzichtig neuriet ze mee, tot ze zich de tekst herinnert.

‘Mama, mijn lied klinkt alleen voor jou…’ Nu weet ze het weer! Terwijl het Italiaanse lied weerklinkt, zingt zij de Nederlandstalige versie mee. Ze wordt er vrolijk van.

Vanuit haar ooghoek ziet ze dat Stan haar vragend aankijkt. Ze lacht naar hem, maar krijgt weinig respons. Met een frons duwt hij tegen zijn oortjes en draait hij zijn gezicht weer weg.

Judith zet het volume van de autoradio weer lager en mompelt nog een keer mee.

‘Mama, je zult bij mij zijn, niet meer alleen zijn… Wat hou ik toch veel van je…’

Het is al middernacht wanneer Judith de auto parkeert aan het hotel.

‘Eindelijk,’ verzucht ze. Ze kromt haar rug en strekt zich uit. Ze kreunt en wrijft eens door haar ogen. Dan kijkt ze naast zich. Stan slaapt. Zijn hoofd hangt bijna op zijn knieën. Even laat ze hem zo zitten en kijkt ze naar hem. De rit was niet bepaald wat ze ervan verwacht had. Of misschien net wel. Na zijn eerdere uitbarsting is Stan redelijk oppervlakkig gebleven. Niet meer bitsig, maar eerder gelaten. Judith vraagt zich af wat er toch allemaal in dat hoofd van hem omgaat. Hoe haar zoon in elkaar zit. Wat hij denkt en voelt… En ze voelt de druk op haar eigen schouders, want ze zijn nu in Bologna. Het is hier en nu dat ze het moeten waarmaken. Daarbij kan ze slechts hopen dat het geen vergissing was om Stan mee te nemen.

Voorzichtig tikt ze op zijn schouder.

‘Stan… Stan? We zijn er…’

‘Hm?’ Stan schrikt wakker, kijkt snel rond. ‘Hoe laat het is?’

‘Middernacht. Dat valt op zich nog mee.’

‘Is dit het hotel?’ zegt Stan op een slaperig toontje. Judith knikt.

‘Kom, uitstappen,’ zegt ze. ‘Emma is nog speciaal naar hier gekomen om ons op te wachten!’ Ze laten de bagage in de kofferbak liggen en gaan alvast het hotel binnen.

‘Emma!’ roept Judith verheugd. Ze vallen in elkaars armen. Emma geniet van de omhelzing. Eindelijk! ‘Ik ben zo blij om je te zien!’

‘Hi,’ zegt ze daarna tegen Stan. Geen van beiden maakt aanstalten om een knuffel te geven. Even dreigt er zelfs een ongemakkelijke stilte te vallen.

‘Dag zus,’ zegt Stan dan. Een stilte volgt. Een ongemakkelijke stilte, die Judith probeert te vullen. ‘Mooi optrekje precies, dit hotel!’

‘Zullen we inchecken?’ gaat Judith verder. ‘Dan kunnen we naar de kamer en gaan slapen. Die rit heeft me echt afgepeigerd.’

Wat later sleurt Stan met de bagage. Hij stapelt alle koffers in de lift en kan er nog net zelf bij.

‘Wij nemen de trap wel,’ zegt Emma en ze trekt aan Judiths arm.

‘Was het oké?’ vraagt ze, wanneer ze naar de kamer wandelen. ‘Is Stan oké?’ Ze is een beetje ongerust. Nu kunnen ze namelijk niet meer terug. Ze zijn hier. Ze moeten het nu met z’n drieën doen.

‘Goh…’ zegt Judith. Ze kan niet zeggen dat het een superleuke rit was, maar ze wil Emma ook niet ongerust maken. ‘Ja hoor, eigenlijk wel. Stan is… Stan,’ besluit ze dan maar. ‘En Stan heeft zo zijn momenten. Soms goede. Soms slechte.’ Emma knikt. Ze weet wat Judith bedoelt.

‘Dan hoop ik dat het hier vooral goede momenten worden… Als er iets is, mama, je kan altijd op mijn appartement terecht, hè.’ Emma wil toch het zekere voor het onzekere nemen.

‘Dat is lief, schat, maar het zal ons wel lukken.’

Stan staat hen al op te wachten aan de deur van de hotelkamer. ‘Snel! Ik moet plassen!’ zegt hij, waarop Emma in de lach schiet. Het breekt de spanning duidelijk. Stan rent uiteindelijk de badkamer in en Judith en Emma verkennen de hotelkamer. De kamer bestaat uit twee ruimtes, met een deur ertussen. Eigenlijk zijn het twee kamers, die wel in verbinding staan met elkaar als dat nodig is.

‘Stan, je hebt gewoon je eigen kamer!’ roept Emma. Ze kijkt naar Judith en merkt aan haar blik dat dit ook de bedoeling was. Dat begrijpt Emma. Ze stelt er verder geen vragen over, maar ze kan het zich inbeelden dat het niet ideaal zou zijn om bijvoorbeeld al die tijd een tweepersoonsbed te delen, zoals dat wel vaker is op hotel.

‘Tof,’ zegt Judith. ‘Echt tof hier. En dan hebben we de wellness nog niet gezien!’ Ze gooit zich op bed en spreidt haar armen. Ze heeft zin in haar tijd hier. Eindelijk kan ze ontspannen.

‘Het is slaaptijd,’ besluit Emma. ‘Ver na slaaptijd zelfs. Ik laat jullie en zie jullie morgen bij mij om te ontbijten!’

Te koop!

Ontdek 'Uitgeklaard' in de boekenwinkel of bestel jouw exemplaar online via verschillende (boeken)webshops.

In het achtste THUISboek worden verschillende vragen beantwoord. Wat zal de afstand met Emma doen? En met haar relatie met Floris? En wat gebeurt er wanneer Judith en Stan op bezoek komen in Bologna? Zal Judith van een herwonnen vrijheid proeven en zal Stan eindelijk zijn zorgen van zich af kunnen gooien?

Zal de afstand tussen moeder, broer en zus tijdens hun bezoek nog groter worden of zullen ze er net in slagen om dichter naar elkaar toe te groeien en een nieuwe start te nemen?

Veel vragen dus ... Maar die worden in het boek allemaal 'uitgeklaard'.

geschreven op 06 december 2019
VRTNU VRTNU VRTNU