Karel Van Eetvelt van Unizo en Ferre Wijckmans (foto) van de christelijke bediendenbond LBC zullen het hebben over het aanslepende dossier van het statuut van arbeiders en bedienden, de sfeer tussen de sociale partners en de weerslag van de economische crisis op dat sociaal overleg en over zin en onzin van de notionele intrestaftrek.
Zaterdag om 12u.45
COMMENTAAR - Guy Janssens
Een gelijk statuut voor arbeiders en bedienden: een onontwarbare knoop
De discussie over een gelijktrekking van het arbeiders- en bediendenstatuut is al jaren aan de gang. Die discussie wordt helemaal toegespitst op het verschil in opzeggingstermijnen en, nog enger, op de opzeggingsvergoedingen. Bij bedienden met een lange staat van dienst, zeg twintig of dertig jaar, kunnen de vergoedingen aardig oplopen. Wat er zelden wordt bij verteld is dat België op het stuk van ontslagen zowat de meest liberale wetgeving van Europa heeft. Werknemers kunnen vrij makkelijk aan de deur worden gezet, mits natuurlijk de afgesproken opzeggingstermijnen worden nageleefd. Er hoeft nauwelijks een motivatie te worden gegeven. In buurlanden als Nederland is dat anders. Daar kan in principe niet worden ontslagen, tenzij een kantonrechter er zijn toestemming voor geeft. In Frankrijk is er dan weer een motivatieplicht. Dat recht om makkelijk te ontslaan wordt als het ware ‘afgekocht’ door de wat ruimere opzegvergoedingen. Een faire deal, zou je kunnen zeggen, alleen profiteren de arbeiders daar niet van.
Laten beide partijen dan proberen naar mekaar toe te groeien, zou je denken. Misschien kunnen de bedienden iets van hun voorrechten laten vallen ten gunste van de arbeiders. Maar zo eenvoudig liggen de kaarten ook weer niet. Het is altijd moeilijk om verworven rechten op te geven. De bedienden denken er dan ook niet aan om een deel van hun huidige ontslagregeling te laten vallen. De oplossing? De ontslagregeling van de arbeiders optrekken tot het niveau van de bedienden, dan is iedereen tevreden.
Niet iedereen tevreden²
Iedereen? Nee natuurlijk. De werkgevers piekeren er nog niet over om het arbeidersstatuut op te trekken naar het bediendeniveau. Dat zou een rem zetten op nieuwe aanwervingen van zowel arbeiders als bedienden. Want de werkgever begint al te rekenen: als hij of zij de pas aangeworven m/v over x aantal jaren, als het plots slecht gaat in het bedrijf, moet ontslaan, dan kost hem dat een aardige duit. Dus wordt de nieuweling maar niet aangeworven. Dat is zo ongeveer de redenering.
De bediendenbonden spreken één en ander tegen. Ze ontkennen dat er sprake zou zijn van hoge ontslagvergoedingen bij de modale bediende. De socialistische bediendenbond BBTK berekende dat minder dan één procent van de bedienden een ontslagvergoeding krijgt van méér dan twee jaar loon. In de meerderheid van de belangen gaat het over ontslagvergoedingen tussen de 3 en de 12 maanden.
Flexibiliteit neemt toe.
De tijd dat een werknemer zijn hele loopbaan bij één enkel bedrijf werkt, gedurende dertig, vijfendertig om zelfs veertig jaar, en dan vervolgens met een gouden vulpen als geschenk van het bedrijf tevreden met pensioen vertrekt ligt stilaan achter ons. We zullen met zijn allen langer moeten weken. Maar die lange loopbaan zal er anders uitzien: korte periodes bij meer bedrijven, loopbaanonderbrekingen, enz. Dat betekent automatisch dat zelfs zonder een wijziging van wettelijke opzeggingstermijnen die ontslagvergoedingen kleiner zullen worden omdat de loopbanen korter worden.
Een Oostenrijkse rugzak.
Een behoud van het bestaande systeem zullen de werkgevers niet aanvaarden. Ze zien wel wxat in het zogenaamde Oostenrijkse ‘rugzakmodel’. Dat komt erop neer dat de werknemer tijdens zijn loopbaan financiële rechten opbouwt via maandelijkse bijdragen van de werkgever. Die komen dan in het rugzakje terecht. Bij ontslag kan hij dit gebruiken om de periode van zijn werkloosheid te overbruggen. Wordt hij niet ontslagen, of gebruikt hij het niet, dan kan het dienen als aanvullend pensioen. De vakbonden lopen niet wild van het plan. ‘Dat is gewoon een soort aanvullend bedrijfspensioen, onze zogenaamde tweede peiler, zegt de BBTK. Professor arbeidsrecht Othman Vanachter ziet wel voordelen: ‘Mobiliteit van werknemers wordt er niet door tegengegaan en dat is op de huidige arbeidsmarkt toch wel een voordeel’.
Of dit rugzakje zal helpen om het probleem te ontmijnen is de hamvraag. De onderhandelaars hebben zichzelf een periode van een jaar gegeven om een oplossing te vinden? Benieuwd wat er uit de bus zal komen.















